ECLI:NL:PHR:2007:BB7408
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over schadeloosstelling bij onteigening en tussenkomst erfpachter en huurster
Deze zaak betreft de onteigening van een perceel in Den Haag ten behoeve van stadsvernieuwing, waarbij de gemeente eigenaar is en Civilised Traveller B.V. erfpachtster was tot 2001. Na beëindiging van de erfpacht bleef Civilised Traveller het perceel gebruiken zonder canon te betalen, evenals een tweede partij als huurster. De onteigening werd gestart in 2004 met dagvaarding aan de gemeente en betekening aan Civilised Traveller.
Civilised Traveller en de huurster vorderden incidenteel tussenkomst als derde-belanghebbenden, maar de rechtbank wees de tussenkomst van Civilised Traveller af wegens beëindiging van haar erfpachtsrecht, terwijl de huurster wel werd toegelaten. De rechtbank stelde vervolgens schadevergoedingen vast voor beide partijen, waarbij de vergoeding aan Civilised Traveller gebaseerd was op de waarde van de opstallen volgens de erfpachtsvoorwaarden.
In cassatie werd onder meer de ontvankelijkheid van het beroep van de gemeente betwist, met name ten aanzien van Civilised Traveller. De Hoge Raad overwoog dat het geschil over de vergoeding aan Civilised Traveller een burgerrechtelijke aanspraak betreft die niet thuishoort in het onteigeningsgeding, maar dat de gemeente ontvankelijk kan zijn in cassatie gelet op de mogelijkheid van sprongcassatie.
De Hoge Raad bevestigde dat de uitleg van de erfpachtsvoorwaarden aan de feitenrechter is voorbehouden en dat de rechtbank terecht de waardering van de opstallen heeft gebaseerd op de koopprijs die een redelijk handelend koper zou toekennen, ook met inachtneming van asbestverontreiniging zoals deskundigen hadden vastgesteld.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de huurster als derde-belanghebbende terecht was toegelaten en dat de huurovereenkomst op grond van art. 5:94 BW Pro slechts vijf jaar na het einde van de erfpacht door de erfverpachter gestand hoeft te worden gedaan. Klachten over de duur van de huurverhouding en de wijze van schadevergoeding werden afgewezen. Ook werd geoordeeld dat de tussenkomst van de huurster in de fase van vervroegde onteigening niet onrechtmatig was.
De Hoge Raad verwierp alle middelen en concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de vastgestelde schadeloosstelling en de toegelaten tussenkomst van de huurster.