ECLI:NL:PHR:2007:BB9663
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling faillissementsverzoek zonder vaststelling vorderingsrecht schuldeiser
In deze zaak is verzoeker door de rechtbank 's-Gravenhage failliet verklaard op verzoek van een schuldeiser, mr Van Remundt q.q. Verzoeker ging in hoger beroep, maar het gerechtshof bevestigde het faillissement omdat summierlijk was gebleken dat verzoeker was opgehouden te betalen.
Verzoeker kwam in cassatie tegen het arrest van het hof en stelde zeven middelen voor. De Hoge Raad verwierp de meeste middelen omdat deze zich richtten tegen beslissingen van de rechtbank en niet van het hof, of omdat zij algemene kritiek op de faillissementswetgeving inhielden.
Een belangrijk middel betrof de vraag of het hof terecht had geoordeeld dat summierlijk bewijs van het vorderingsrecht volstaat en niet een definitieve rechterlijke vaststelling. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 6 lid 3 Faillissementswet Pro dit voorschrijft en dat het hof de juiste maatstaf had toegepast.
Een ander middel betrof de vraag of het faillissementsverzoek als een 'criminal charge' in de zin van artikel 6 EVRM Pro kon worden beschouwd. De Hoge Raad oordeelde dat een faillissementsverzoek geen strafrechtelijke aanklacht is en dat het hof dit terecht had aangenomen.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was dan ook dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het faillissement van verzoeker wordt bevestigd.