ECLI:NL:PHR:2008:AZ4860
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over fiscale behandeling pachtrecht en winstverdeling in maatschap bij bedrijfsopvolging
Belanghebbende drijft een melkveehouderij in maatschapsverband met zijn echtgenote, vader en diens echtgenote. De ouders verkochten een weiland aan hun BV onder voorbehoud van een pachtrecht van 12 jaar met verlengingsmogelijkheden. De ouders schreven het pachtrecht af in 12 jaar en brachten de kosten daarvan ten laste van de maatschap, waar belanghebbende 30% in bijdroeg.
Het Hof stelde de looptijd van het pachtrecht op 30 jaar vast, maar accepteerde een afschrijving in 12 jaar voor de maatschap. De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel, stellende dat ook voor de maatschap de afschrijving over 30 jaar moet plaatsvinden. Belanghebbende stelde een incidenteel beroep in cassatie.
De Hoge Raad overweegt dat de afschrijvingstermijn van het pachtrecht bij de ouders 30 jaar is en dat de maatschap zich niet heeft vastgelegd op een vaste jaarlijkse vergoeding van 1/12 van het pachtrechtbedrag, maar op een vergoeding die aansluit bij de fiscaal toegestane afschrijving bij de ouders. De vergoeding moet daarom over 30 jaar worden toegerekend volgens goed koopmansgebruik.
De Hoge Raad verklaart het principale beroep van de Staatssecretaris gegrond en het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond. De zaak wordt zelf afgedaan met een correctie van de aanslagen op basis van een afschrijvingstermijn van 30 jaar. De vergoeding voor het pachtrecht moet worden geactiveerd en niet in 12 jaar ten laste van de winst gebracht.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt dat de afschrijvingstermijn van het pachtrecht 30 jaar bedraagt en dat de vergoeding dienovereenkomstig moet worden geactiveerd en toegerekend, niet in 12 jaar ten laste van de winst gebracht.