ECLI:NL:PHR:2008:AZ6924
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van het begrip gemeenschappelijke huishouding in de Successiewet bij opname in een verzorgingstehuis
Belanghebbende voerde vanaf 1963 een gemeenschappelijke huishouding met erflaatster en haar echtgenoot. Na opname van erflaatster in een verzorgingstehuis in 1993, vanwege haar verslechterde gezondheid, werd de woning verkocht en verhuisde belanghebbende met zijn echtgenote. Ondanks deze opname bleef belanghebbende de erflaatster ondersteunen en haar financiële zaken regelen.
De Inspecteur legde een aanslag successierecht op aan belanghebbende, berekend volgens tariefgroep III, omdat het hof oordeelde dat de gemeenschappelijke huishouding was beëindigd bij opname van erflaatster. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de gemeenschappelijke huishouding voortduurde, mede gelet op de wil van partijen en de feitelijke gedragingen.
De Hoge Raad overweegt dat het begrip gemeenschappelijke huishouding mede moet worden beoordeeld aan de hand van de wil van partijen en hun gedragingen, ook als sprake is van opname in een verzorgingstehuis. Een gedwongen opname leidt niet automatisch tot beëindiging van de huishouding als de intentie tot voortzetting aanwezig is en wordt bevestigd door feitelijke gedragingen. Het hof had onvoldoende rekening gehouden met deze wil en handelde in strijd met eerdere jurisprudentie.
Daarnaast werd het beroep op het vertrouwensbeginsel van belanghebbende afgewezen door het hof, maar de Hoge Raad oordeelt dat de toezegging van de Staatssecretaris van Financiën om in schrijnende gevallen tegemoetkoming te verlenen, als beleidsuitspraak kan worden opgevat en nader onderzoek verdient. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van het hof en de aanslag, en vermindert de aanslag successierecht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en vermindert de aanslag successierecht omdat de gemeenschappelijke huishouding voortduurde tot het overlijden van erflaatster.