ECLI:NL:PHR:2008:AZ7382
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid van emissieprovisies en rentebijtelling bij renteloze lening in vennootschapsbelasting
De zaak betreft de fiscale behandeling van emissieprovisies die ING aan de belanghebbende in rekening bracht in verband met een aandelenemissie in 1995, en de fiscale waardering van een renteloze lening van de belanghebbende aan haar Duitse dochter F GmbH.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat de door de belanghebbende aan de underwriters betaalde provisies (underwriting, management, selling concession en bereidstellingsprovisie) als kosten in aftrek kunnen worden gebracht van de fiscale winst. Deze provisies zijn te kwalificeren als vergoeding voor het overnemen van het risico dat de emissie niet zou slagen, en niet als een emissiekorting die het gestorte kapitaal verlaagt.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de renteloze lening aan F GmbH fiscaal moet worden beschouwd alsof een zakelijke rente van 3% is overeengekomen. Deze rente moet jaarlijks als voordeel bij de winst worden geteld, omdat de renteloosheid een bevoordeling is die voortvloeit uit de vennootschappelijke verhouding. De contante-waardemethode wordt verworpen omdat de lening een onbepaalde looptijd heeft en de rente jaarlijks moet worden toegerekend.
De Hoge Raad verwerpt de stellingen van de inspecteur dat de provisies geheel als emissiekorting moeten worden aangemerkt en bevestigt dat de provisies aftrekbaar zijn als kosten. Ook het incidentele cassatieberoep van de belanghebbende wordt afgewezen. De uitspraak verduidelijkt de fiscale kwalificatie van emissieprovisies en de rentebijtelling bij renteloze leningen binnen concernverhoudingen.
Uitkomst: De emissieprovisies zijn aftrekbare kosten en de renteloze lening leidt tot een rentebijtelling van 3% per jaar.