ECLI:NL:PHR:2008:BA8211
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen verplichting tot meestbegunstiging van tax sparing credit voor Belgische rente onder EG-recht
De zaak betreft de vraag of Nederland op grond van het EG-recht verplicht is een tax sparing credit toe te kennen voor rente uit België, gelijk aan die welke wordt toegekend voor rente uit Brazilië en Griekenland. De belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, ontving in 2001 rente van Belgische vennootschappen waarop geen Belgische bronbelasting werd geheven. Zij vorderde dat Nederland deze rente fiscaal gelijk zou behandelen als rente uit Brazilië en Griekenland, waarvoor een tax sparing credit geldt.
Het Hof oordeelde dat bilaterale belastingverdragen een onderhandelingsresultaat vormen dat niet kan worden ontkoppeld zonder het evenwicht te verstoren. Het EG-recht verplicht Nederland niet tot meestbegunstiging van tax sparing credits voor Belgische rente. De situatie van rente uit België is niet vergelijkbaar met die uit Brazilië of Griekenland, mede omdat België op grond van het verdrag geen heffingsrecht heeft over deze rente.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het beroep af. Ook het beroep op het EG-rechtelijke doeltreffendheidsbeginsel voor volledige proceskostenvergoeding wordt verworpen. De Hoge Raad benadrukt dat bilaterale verdragen hun eigen evenwicht vormen en dat selectieve tax sparing geen onrechtmatige discriminatie oplevert. Het arrest bevestigt dat verschillen in belastingverdragen en nationale wetgeving niet zonder meer leiden tot schending van EG-rechten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; Nederland is niet verplicht een tax sparing credit toe te kennen voor Belgische rente.