ECLI:NL:PHR:2008:BA9224
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking verliesverrekening bij invoering Wet inkomstenbelasting 2001 niet in strijd met EVRM
Belanghebbende, werkzaam bij een internationale organisatie en daardoor vrijgesteld van Nederlandse inkomstenbelasting over zijn loon, maakte bezwaar tegen het niet toekennen van heffingskorting voor volksverzekeringen en tegen het niet verrekenen van een verlies uit 1993 met zijn Box 3-inkomen in 2001. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond. In cassatie richt belanghebbende zich vooral tegen het oordeel dat het resterende verlies niet met Box 3-inkomen kan worden verrekend.
De Hoge Raad overweegt dat de beperking van verliesverrekening tot Box 1-inkomen is neergelegd in onderdeel W van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, waarbij onverrekende verliezen uit de Wet IB 1964 worden gelijkgesteld met Box 1-verliezen. Deze regeling is pragmatisch ingevoerd om uitvoerbaarheid te waarborgen en is voor de meeste belastingplichtigen het voordeligst. De wetgever heeft bewust aanvaard dat in individuele gevallen verliezen niet meer verrekenbaar zijn.
De Hoge Raad wijst erop dat de rechter de billijkheid of innerlijke waarde van de wet niet mag toetsen en dat toetsing aan ongeschreven rechtsbeginselen als rechtszekerheid en evenredigheid uitgesloten is. Ook is geen schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM aan de orde, omdat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsmarge is gebleven en de beperking niet zonder redelijke grond is. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; verliesverrekening is beperkt tot Box 1-inkomen.