ECLI:NL:PHR:2008:BB3485
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingplicht van betaaldvoetbalorganisatie als onderneming voor vennootschapsbelasting
De zaak betreft de vraag of een betaaldvoetbalorganisatie (BVO) als vereniging subjectief belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting op grond van artikel 2, lid 1, onderdeel d, Wet Vpb 1969. De BVO stelt dat zij geen winst beoogt en dat haar negatieve resultaten met incidentele baten worden gecompenseerd. Het hof oordeelde dat de BVO wel degelijk winst nastreeft en dat de verkoop van spelers nauw samenhangt met het hoofddoel, namelijk het voetbalspel tegen betaling laten bijwonen.
De Hoge Raad bevestigt dat de BVO een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid vormt die deelneemt aan het economische verkeer met het oogmerk winst te behalen. Daarbij is van belang dat de BVO structureel overschotten behaalt en streeft naar het behoud van haar licentie door tekorten te vermijden. De bestemming van de overschotten voor investeringen doet niet af aan het winststreven.
Verder wordt geoordeeld dat het hof terecht heeft vastgesteld dat de verkoop van spelers onderdeel uitmaakt van de ondernemingsactiviteiten en dus meetelt bij de beoordeling van het winststreven. De BVO kan geen beroep doen op gerechtvaardigd vertrouwen op een oude resolutie die sportverenigingen in het algemeen niet als belastingplichtig aanmerkt, omdat de omstandigheden van de BVO anders zijn.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat de BVO subjectief belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting vanaf 1 juli 1994.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de betaaldvoetbalorganisatie subjectief belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting vanaf 1 juli 1994.