ECLI:NL:PHR:2008:BB4130
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over oproeping ouders en openbare behandeling jeugdige verdachte bij medeplegen moord en doodslag
In deze zaak werd een minderjarige verdachte veroordeeld door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba tot twintig jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van moord en doodslag. De verdachte en haar broer hadden een plan beraamd om een beroving te plegen waarbij beide slachtoffers dodelijk werden verwond met messen. De verdachte was op het moment van de feiten zestien jaar oud.
De verdediging stelde onder meer dat de ouders van de minderjarige verdachte niet correct waren opgeroepen conform art. 489 SvNA Pro, en dat de zaak ten onrechte openbaar werd behandeld terwijl de verdachte nog geen achttien was, in strijd met art. 40 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind. De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van een afzonderlijke oproeping niet leidde tot nietigheid, mede omdat de vader in eerste aanleg aanwezig was en de verdediging geen bezwaar maakte. Ook werd geoordeeld dat het Verdrag niet voorschrijft dat jeugdige verdachten altijd een niet-openbare behandeling krijgen en dat het proces voldoende rekening hield met het privéleven van de verdachte.
De Hoge Raad verwierp voorts de middelen die stelden dat het hof de tenlastelegging had verlaten door een foutieve naamsvermelding en dat het medeplegen van moord onvoldoende was bewezen. Het hof had de feiten zorgvuldig gewogen en de strafmotivering was begrijpelijk en proportioneel, waarbij rekening was gehouden met de jeugdige leeftijd en problematiek van de verdachte. De Hoge Raad concludeerde dat geen gronden voor vernietiging aanwezig waren en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de 20-jarige gevangenisstraf voor medeplegen van moord en doodslag.