ECLI:NL:PHR:2008:BC1856
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vergoeding overwaarde echtelijke woning bij echtscheiding en derogerende werking redelijkheid en billijkheid
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2002 gescheiden. De vrouw erfde een perceel met daarop een bouwvallige woning die in 1984 werd gesloopt en vervangen door een nieuwe woning, gefinancierd met opbrengst van de verkoop van de eerste echtelijke woning en een lening van de moeder van de vrouw. De nieuwe woning bleef privé-eigendom van de vrouw, omdat het perceel buiten de gemeenschap viel door een uitsluitingsclausule in het testament van haar vader.
De man vorderde vergoeding van zijn financiële bijdrage aan de bouw van de nieuwe woning, inclusief een deel van de waardestijging. De rechtbank oordeelde dat de waarde van de woning tot de gemeenschap behoorde, maar het hof stelde vast dat de woning buiten de gemeenschap bleef en dat de vrouw de man het nominale bedrag moest vergoeden. Het hof erkende echter dat in uitzonderlijke gevallen, op grond van redelijkheid en billijkheid, ook vergoeding van waardestijging kan gelden.
De Hoge Raad bevestigt dat het nominaliteitsbeginsel de hoofdregel is, maar dat in uitzonderlijke gevallen daarvan kan worden afgeweken. In deze zaak is het onaanvaardbaar dat de man niet deelt in de waardestijging, omdat partijen zich niet realiseerden dat de man geen aandeel zou hebben in de waardegroei van de nieuwe woning, terwijl zij in het huwelijk uitgingen van gelijke verdeling. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling, mede vanwege motiveringsklachten over het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de man recht heeft op vergoeding van de helft van de overwaarde van de echtelijke woning en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.