ECLI:NL:PHR:2008:BC3673
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale ondernemersstatus deelvisser in maatschap en rechtstreekse verbondenheid voor verbintenissen
Deze zaak betreft de vraag of een deelvisser die deelneemt in een maatschap het visserijbedrijf uitoefent als ondernemer in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001, en daarmee recht heeft op de zelfstandigenaftrek. De belanghebbende is maat in een maatschap die het visserijbedrijf uitoefent vanaf een vissersschip, waarbij de eigenaar niet meevaart. Inkopen voor de maatschap worden gedaan bij een coöperatie op naam van de eigenaar, met vermelding van het scheepsnummer en de opvarende die de goederen ophaalt.
Het hof had geoordeeld dat de belanghebbende ondernemer was omdat hij rechtstreeks verbonden was voor verbintenissen betreffende de onderneming, omdat de maten namens de maatschap zouden handelen en het scheepsnummer als naam van de maatschap fungeert. De staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel, stellende dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van een openbare maatschap en dat de maten bevoegd waren om namens de maatschap te handelen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende feiten en motieven heeft vastgesteld om te concluderen dat sprake is van een openbare maatschap die onder een gemeenschappelijke naam naar buiten treedt, en dat de maten bevoegd zijn om de maatschap jegens derden te verbinden. De enkele vermelding van het scheepsnummer op facturen en het feit dat goederen worden opgehaald door opvarenden is onvoldoende om te spreken van handelen namens de maatschap. Ook is geen volmacht of duidelijke regeling omtrent bevoegdheid vastgesteld. Daarom wordt het arrest vernietigd en verwezen naar een ander hof voor nadere beoordeling.
De conclusie bevat een uitgebreide bijlage met een juridische analyse van het begrip rechtstreekse verbondenheid, het onderscheid tussen stille en openbare maatschap, en de civielrechtelijke en fiscale consequenties daarvan. Tevens wordt ingegaan op de parlementaire geschiedenis en literatuur over het verbondenheidscriterium in de Wet IB 2001. De conclusie benadrukt dat het fiscale ondernemerschap afhankelijk is van civielrechtelijke verbondenheid jegens derden, en dat interne afspraken of ondernemersrisico niet voldoende zijn. De belanghebbenden hebben het zelf in de hand om hun maatschapscontracten zo te regelen dat de verbondenheid duidelijk is.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over het optreden namens de maatschap en de bevoegdheid daartoe, en de zaak wordt verwezen voor nadere beoordeling.