Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
03-2013
03-2014
03-2015
03-2016
participation- and shareholders agreement, die op 30 december 2010 is gesloten tussen de middellijk en onmiddellijk deelnemende participanten in het Fonds, opgenomen in de uitspraak. Daarin wordt – kort gezegd – onder andere de vertegenwoordigings- en beheersbevoegdheid van de beheerder van het Fonds en de vertrouwelijkheid van informatie geregeld waarover participanten in die hoedanigheid de beschikking krijgen.
3.Het geding in cassatie
4.Jurisprudentie objectieve voordeelsverwachting
Wet, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur met betrekking tot verbondenheid
Wetgeving
ondernemer: de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming.
Parlementaire behandeling
Jurisprudentie
BNB2006/321 heeft de Hoge Raad overwogen dat interpretatie van het verbondenheidscriterium als bedoeld in artikel 3.4 Wet IB 2001 naar civielrechtelijke maatstaven geschiedt. [13]
BNB2009/98 herhaalt de Hoge Raad bovenstaande regel en overweegt vervolgens dat een maat in een openbare maatschap voldoet aan het verbondenheidscriterium. Voor die openbaarheid is doorslaggevend dat de maatschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder gemeenschappelijke naam deelneemt aan het rechtsverkeer. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat een deelvisser geen ondernemer is, omdat geen gemeenschappelijke naam wordt gevoerd. Ook anderszins vindt de Hoge Raad geen reden om ondernemerschap aan te nemen: [14]
NJ1977, 586; zie ook het voorgestelde artikel 7:801 BW Pro, Kamerstukken I, 2004/2005, 28 746, A).
Literatuur
BNB2009/98 [15] gaat
A-G Wattelin op verbondenheid van vennoten/maten in het geval van een vof en een openbare maatschap. In het eerste geval zijn alle vennoten hoofdelijk verbonden indien één van de vennoten in de naam van de vof optreedt. In het tweede geval zijn alle maten voor gelijke delen verbonden indien één van de maten in de naam van de maatschap optreedt. In beide gevallen ontstaat – mits de vertegenwoordiging meer dan incidenteel is – ‘echt’ ondernemerschap:
A-G Watteldat ook bij de stille maatschap ondernemerschap in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001 kan ontstaan, namelijk wanneer één van de maten bevoegdelijk handelt in naam van de andere maten, voor die andere maten:
internondernemersrisico vindt de wetgever niet doorslaggevend;
externondernemersrisico (jegens derden) wél.
externeondernemersrisico beslissend te doen zijn. Essers suggereert dat het (ook) om een bewijsprobleem gaat, maar als dat zo is, hebben de belanghebbenden het zelf in de hand om de bewijsnood op te heffen door de juiste bepalingen in hun maatschapscontracten te doen opnemen.
6.Wet, jurisprudentie en literatuur met betrekking tot personenvennootschappen
Wetgeving
(Parlementaire toelichting bij) het ingetrokken Wetsvoorstel titel 7.13 BW
Jurisprudentie
in casu: Wurfbain, met wie door belanghebbende (
in casu: Leusen) wordt gehandeld – op het moment van het sluiten van de overeenkomst reden had dit aan te nemen:
Ontstaan van samenwerkingsverband met of zonder akte
Asser-Maeijer [33] geeft aan dat de in artikel 22 WvK Pro voorgeschreven akte geen constitutief vereiste is. De vraag is of uit de gedragingen van contractsluitende partijen het tot stand komen van een vof kan worden afgeleid:
Constitutieve eisen: algemeen
Constitutieve eis maatschap/vof: affectio societatis
affectio societatis– zich met name zal moeten uiten bij het aangaan van de overeenkomst en bij de gezamenlijke besluitvoering tijdens het bestaan van de samenwerking. Hij benadrukt onder andere dat het uitsluiten van vennoten van enkel de beheersbevoegdheid niet resulteert in het afwezig moeten achten van de vereiste gelijkwaardige samenwerking:
NJ1986, 3258 m. n. Ma. De Hoge Raad constateert dat in de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan de overeenkomst besloten ligt “dat deze overeenkomst niet ertoe strekt de partijen in
actieve samenwerkingin het economisch verkeer door middel van hun inbreng voordeel te doen behalen” (curs. van mij MvO). Algemeen wordt aangenomen dat niet iedere vennoot gehouden is tot inbreng van arbeid.
Actieve samenwerkingkan niet anders doelen dan op een zgn. “basissamenwerking”, het deelnemen aan de besluitvorming omtrent het te voeren beleid. Hiervan kan ook geen enkele vennoot worden uitgesloten. In dit verband zij opgemerkt dat het contractueel uitsluiten van beheersbevoegdheid van één der vennoten (art. 1673 en Pro 1674) niet op de beleidsinvloed ziet en derhalve geoorloofd is.
affectio societatisonderscheidt volgens
Asser-Maeijer [38] de (commanditaire) vennootschap (onder firma) van onder andere participatieovereenkomsten:
deze overeenkomst is geen maatschap, vof of cv’ in overeenkomsten niet doorslaggevend is. Samenwerking is wel een constitutief vereiste voor het constateren van een vof:
Mathey-Bal [40] bespreekt de eis van
affectio societatisen daarbij het belang van gelijkwaardigheid bij de beoogde samenwerking:
Constitutieve eis maatschap/vof: inbreng
Blanco Fernández [44] te volgen dat deze constitutief is en tot natuurlijk gevolg heeft de vorming van een gemeenschap:
Constitutieve eis vof / openbare maatschap: deelname aan rechtsverkeer onder gemeenschappelijke naam
‘een maatschap die op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt’– het belang en de invulling van een gemeenschappelijke en extern duidelijk kenbare naam. Ook wordt aangegeven dat impliciete vertegenwoordiging van de openbare maatschap door één van de maten eerder aangenomen kan worden dan bij een stille maatschap:
VOF) en de naam kan bestaan uit de namen van (een van) de vennoten (De Boer en Groot). Het is niet altijd duidelijk of een naam als zodanig (de eenheid/het samenwerkingsverband aanduidend) gevoerd wordt. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de naam bestaat uit de achternamen van de vennoten. Of van een gemeenschappelijke naam sprake is, hangt dan af van de verkeersopvattingen. Het achter elkaar vermelden van namen die niet (langer) corresponderen met de namen van de vennoten (bijvoorbeeld: Smits en Brouwer Belastingadvies bestaat uit tien vennoten van wie Smits er niet langer één is) wordt eerder opgevat als gemeenschappelijke naam waaronder aan het economisch verkeer wordt deelgenomen, dan een rijtje met namen van de huidige vennoten dat op het briefpapier is afgedrukt. Niet als gemeenschappelijke naam kwalificeerde een scheepsnummer dat werd vermeld op facturen van of aan de eigenaar van meer schepen. Het vermelden van het scheepsnummer duidde hier eerder op een manier om het ene schip te onderscheiden van het andere dan op het bestaan van een eenheid (samenwerkingsverband) die onder dat nummer naar buiten treedt. Uit de naam hoeft niet uitdrukkelijk te volgen dat het om een VOF of een samenwerkingsverband gaat.
Gevolgen: aansprakelijkheid
Jurisprudentie met betrekking tot de economische eigendom van een zaak
7.Uitspraken in vergelijkbare zaken van andere participanten in hetzelfde Fonds
FutDheeft bij onderhavige uitspraak van het Hof onder meer geschreven:
8.Beoordeling van het beroep in cassatie
Middel 1
Middel 2
‘dat het Fonds in privaatrechtelijk opzicht moet worden aangemerkt als een maatschap in de zin van artikel 7A:1655 BW’ [69] en dat het Fonds is
‘aan te merken als ‘openbaar’, zodat de participanten in het Fonds rechtstreeks worden verbonden door verbintenissen die het Fonds is aangegaan en dat belanghebbende daarmee rechtstreeks verbonden is voor verbintenissen van de onderneming.’ [70]
De participanten kunnen onderling niet afdwingen dat zij aan hun inbrengverplichting voldoen.
De investerende participanten treden niet op in het rechtsverkeer
Escrow agreementis een overeenkomst waarbij op zijn minst één derde partij betrokken is ( [F] B.V.), ten opzichte van wie het Fonds en de participanten worden gebonden, zodat gelet hierop het oordeel dat participanten extern worden verbonden, grond vindt in de vastgestelde feiten. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Ook dit middelonderdeel faalt.
Er is geen regeling voor de draagplicht van participanten na aansprakelijkstelling door een van hen
De Fondsvoorwaarden zelve melden dat geen sprake is van een maatschap
Oprichtingsakte en inschrijving handelsregister
In de stukken wordt het adjectief “besloten” gebruikt voor het samenwerkingsverband
Doorlopende verbondenheid voor meer verbintenissen vereist?
‘Een belastingplichtige hoeft niet voor alle verbintenissen die betrekking hebben op een onderneming te zijn verbonden’. Vandaar dat in de bepaling gesproken wordt over “verbintenissen” in plaats van “alle verbintenissen” of “de verbintenissen”.’ [96] Wattelmeent dat de verbondenheid het extern ondernemersrisico, dus het risico jegens derden, dient te betreffen en dat dit
‘meer dan incidenteel moet geschieden om te kunnen spreken van verbondenheid ‘voor verbintenissen betreffende de onderneming.’ [97] Dat sluit ook aan bij de mogelijkheid dat in een stille maatschap een vennoot incidenteel ‘in naam van de vennootschap’ optreedt; in een dergelijk geval is mijns inziens niet aan de verbondenheidseis voldaan.
Middel 3
‘dat als de vrachttarieven sterk zouden stijgen, eventuele winsten voor rekening van het Fonds zouden komen’, ‘
dat het Fonds het schip heeft verzekerd’en
‘uit de Fondsvoorwaarden (zie 2.6)[blijkt]
dat de voor- en nadelen van de economische eigendom van het schip voor rekening en risico van de participanten komen’.