ECLI:NL:PHR:2008:BC3787
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling medeplegen overtreding Opiumwet met strafvermindering wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, onder B (oud) van de Opiumwet. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel onvoldoende concreet was onderbouwd en verwierp het beroep op die grond.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke berechtingstermijn was overschreden doordat stukken van het geding ruim een jaar te laat bij de Hoge Raad waren binnengekomen. Dit leidde tot de conclusie dat strafvermindering op zijn plaats was. De Hoge Raad nam de conclusie bij vervroeging om de vertraging zoveel mogelijk ongedaan te maken.
Verder werd het verweer dat getuigenverklaringen onbetrouwbaar zouden zijn, verworpen omdat dit geen gebreken in de totstandkoming van het bewijsmiddel betrof, maar slechts de waarachtigheid en overtuigingskracht aanreed. Ook het middel dat het hof had moeten toepassen van art. 14a Sr, met de mogelijkheid tot een voorwaardelijke straf, werd verworpen.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en matigde deze vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad matigde de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke berechtingstermijn en verwierp het cassatieberoep voor het overige.