ECLI:NL:PHR:2008:BC3885
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voorlopige machtiging voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis zonder inzicht in ziekte
Betrokkene verbleef jarenlang vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis zonder blijk te geven het verblijf te willen beëindigen. De rechtbank verleende een voorlopige machtiging om het verblijf voort te zetten, ondanks het ontbreken van inzicht in ziekte en noodzaak tot behandeling bij betrokkene.
De Hoge Raad oordeelt dat het begrip 'nodige bereidheid' in art. 2 lid 3 en Pro 4 Wet Bopz inhoudt dat een patiënt in staat moet zijn zijn wil te bepalen omtrent het verblijf. Het enkele feit dat betrokkene niet uitdrukkelijk het verblijf wilde beëindigen, volstaat niet als blijk van vrijwilligheid wanneer hij geen inzicht heeft in zijn ziekte of behandeling.
De jurisprudentie staat toe dat weigering mee te werken aan noodzakelijke behandeling, mede in het licht van overige omstandigheden, kan leiden tot het oordeel dat de nodige bereidheid tot verblijf ontbreekt. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van de voorlopige machtiging.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van de voorlopige machtiging voor voortgezet verblijf zonder inzicht in ziekte of noodzaak tot behandeling.