ECLI:NL:PHR:2008:BC5852
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat eigenaar van pand in aanbouw als gebruiker wordt aangemerkt voor onroerendezaakbelasting
Belanghebbende, een professioneel vastgoedbelegger, was eigenaar van een kantoorcomplex in aanbouw en ontving aanslagen voor de eigenaren- en gebruikersbelasting over 2004. Zij betwistte dat zij als gebruiker van het pand in aanbouw kon worden aangemerkt. Zowel de Rechtbank als het Hof bevestigden dat het (laten) bouwen van een opstal op een bouwterrein een vorm van gebruik is en dat de eigenaar als gebruiker moet worden beschouwd. In cassatie voerde belanghebbende aan dat de huidige jurisprudentie het begrip 'gebruik' te ruim interpreteert en niet strookt met het normale spraakgebruik en rechtsgevoel.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat de bestaande jurisprudentie, waarin het begrip 'feitelijk gebruik' is vervangen door 'gebruik' en waarbij het doen bebouwen van een ongebouwd eigendom als gebruik wordt aangemerkt, niet hoeft te worden herzien. Hij benadrukte dat het bezigen van een onroerende zaak voor de bouw van een woning of kantoor een vorm van gebruik is, ook al is het pand nog niet geschikt voor het beoogde gebruik. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
De uitspraak bevestigt dat het begrip 'gebruik' in de Gemeentewet en Wet WOZ breed moet worden uitgelegd, inclusief het gebruik tijdens de bouwfase. Dit betekent dat eigenaren van panden in aanbouw gebruikersbelasting verschuldigd zijn, ook als het pand nog niet bewoonbaar of verhuurbaar is. Het arrest sluit aan bij eerdere jurisprudentie en de parlementaire geschiedenis van de wetgeving, en benadrukt het belang van een brede heffingsgrondslag voor de onroerendezaakbelasting.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de eigenaar van een pand in aanbouw als gebruiker wordt aangemerkt voor de gebruikersbelasting.