ECLI:NL:PHR:2008:BC6627
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens verzwijging detentie door schuldenaar
De schuldenaar werd in oktober 2006 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Tijdens de toelatingszitting verzweeg hij dat hij was veroordeeld tot gevangenisstraffen en dat hij detentie moest uitzitten. De rechtbank beëindigde daarop de regeling op voordracht van de rechter-commissaris. Het hof bekrachtigde dit besluit en oordeelde dat verzwijging van relevante informatie een geldige grond is voor beëindiging van de regeling volgens art. 350 lid 3 onder Pro c van de Faillissementswet.
De schuldenaar stelde in cassatie dat detentie geen reden mag zijn voor beëindiging en dat hij ondanks detentie aan zijn verplichtingen kon voldoen. Ook voerde hij aan dat hij saneringsgezind was en dat hij zijn schuldeisers had gemeld. De Hoge Raad verwierp deze klachten en stelde dat het hof terecht oordeelde dat verzwijging voorafgaand aan de regeling een beëindigingsgrond is en dat detentie de nakoming van verplichtingen belemmert.
De Hoge Raad benadrukte dat de regeling niet bedoeld is voor personen die onvolledig of onjuist informatie verstrekken en dat de rechter niet gehouden is om uit menselijk of maatschappelijk oogpunt een andere oplossing te zoeken. Het beroep werd verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens verzwijging van detentie.