ECLI:NL:PHR:2008:BC6698
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dringende reden voor ontslag op staande voet wegens werkverzuim na waarschuwingen
De zaak betreft een cassatieberoep van een werknemer die op 19 november 2001 op staande voet werd ontslagen wegens werkweigering na herhaalde waarschuwingen. De werknemer was sinds 1994 in dienst en werd door zijn werkgever ontslagen omdat hij zonder bericht niet op het werk was verschenen terwijl hij arbeidsgeschikt was verklaard. De rechtbank ontbond later de arbeidsovereenkomst wegens veranderde omstandigheden.
Het hof stelde vast dat de werkgever de bewijslast droeg voor het feit dat de werknemer zonder bericht niet op het werk was verschenen en oordeelde dat de werkgever daarin was geslaagd. Het hof achtte dit samen met eerdere incidenten en waarschuwingen een dringende reden voor ontslag op staande voet, ook rekening houdend met de lengte van het dienstverband en persoonlijke omstandigheden.
In cassatie betoogde de werknemer onder meer dat het ontslag onterecht was omdat het niet verschijnen geen zelfstandige ontslaggrond vormde en dat werkweigering niet was komen vast te staan. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het hof de ontslagbrief begrijpelijk had uitgelegd en dat het niet melden van ziekte en het zonder bericht niet verschijnen op het werk na eerdere waarschuwingen een dringende reden opleverde. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en dat de klachten van de werknemer feitelijke grondslag misten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen en het ontslag op staande voet wordt bevestigd.