ECLI:NL:PHR:2008:BC8979

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/083HR
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 827 lid 1 RvArt. 1:94 lid 1 BWVerdrag van 14 maart 1978 inzake het huwelijksvermogensregime
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot teruggave van sieraden en gouden riem in echtscheidingsprocedure

In deze echtscheidingsprocedure verzocht de man om een nevenvoorziening waarbij de vrouw werd veroordeeld tot teruggave van sieraden en een gouden riem die zij bij het huwelijk had ontvangen. De man baseerde dit verzoek op het Marokkaans recht, stellende dat de vrouw deze aan hem moest teruggeven.

De vrouw betwistte dit en verklaarde dat de sieraden en riem haar waren geschonken door een neef van de man. Het hof oordeelde dat op grond van het Verdrag inzake het huwelijksvermogensregime Nederlands recht van toepassing is en dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hadden gesloten. Het hof stelde vast dat de sieraden en riem als aan de vrouw verknocht konden worden beschouwd en dus privé-eigendom waren, waardoor zij geen deel uitmaakten van de huwelijksgoederengemeenschap.

De man ging in cassatie tegen dit oordeel, maar het middel faalde wegens gebrek aan belang. De Hoge Raad bevestigde dat zelfs als de sieraden en riem deel zouden uitmaken van de gemeenschap, er geen regel is die de vrouw verplicht tot teruggave. Het hof had dus terecht het verzoek afgewezen. De cassatie werd verworpen.

Uitkomst: Het verzoek tot teruggave van de sieraden en gouden riem is afgewezen omdat deze privé-eigendom van de vrouw zijn.

Conclusie

Rek.nr. R07/083HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 4 april 2008
conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
1. In deze echtscheidingsprocedure heeft thans verzoeker tot cassatie, hierna: de man, een verzoek gedaan tot het treffen van een nevenvoorziening als bedoeld in art. 827 lid Pro 1, aanhef en onder b, Rv.
2. De verzochte nevenvoorziening betrof - naar het hof kennelijk heeft begrepen - mede veroordeling van thans verweerster in cassatie, hierna: de vrouw, om aan de man terug te geven een riem en sieraden die in het kader van het huwelijk aan de vrouw zijn geschonken. De man heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de vrouw - met toepassing van het Marokkaans recht op het huwelijksvermogensregime - de riem en de sieraden aan de man dient terug te geven.
3. De vrouw heeft het verzoek bestreden. Zij heeft gesteld dat zij de riem en de sieraden van een neef van de man geschonken heeft gekregen.
4. Het hof heeft bij beschikking van 25 januari 2007 het verzoek van de man afgewezen. Het hof overwoog dat op grond van art. 4 van Pro het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (Verdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130) Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (r.o. 4.17) en dat niet is gebleken van tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden (r.o. 4.18). Voorts overwoog het hof dat de riem en de sieraden als verknocht aan de vrouw kunnen worden beschouwd, aangezien deze aan haar cadeau zijn gedaan. Deze zaken maken derhalve geen deel uit van de huwelijksgemeenschap tussen partijen, maar zijn privé-eigendom van de vrouw. Het verzoek van de man tot teruggave moet dan ook worden afgewezen, aldus het hof (r.o. 4.19).
5. De man is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
6. Het middel is met een rechtsklacht en subsidiair een motiveringsklacht gericht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.19 - dat de riem en de sieraden als aan de vrouw verknocht zijn aan te merken, aangezien deze aan haar cadeau zijn gegegeven, en dat deze zaken derhalve geen deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap.
7. Het middel faalt wegens gebrek aan belang. Het hof heeft - onbestreden in cassatie - geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Ook indien - anders dan het hof heeft geoordeeld - zou moet worden aangenomen dat de riem en de sieraden niet als aan de vrouw verknocht zijn aan te merken, en dat deze zaken derhalve ingevolge de hoofdregel van art. 1:94 lid 1 BW Pro deel uitmaken van de algehele gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd, brengt geen regel van Nederlands recht mee dat de vrouw gehouden is de riem en de sieraden aan de man terug te geven. Het oordeel van het hof dat het verzoek van de man niet kan worden toegewezen, is derhalve - wat er ook zijn van de gronden waarop het hof tot zijn oordeel is gekomen - juist.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,