ECLI:NL:PHR:2008:BC9365
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vergoeding kosten huishoudelijke hulp na overlijden moeder in verkeersongeval
Op 7 juni 1993 kwam de moeder van twee minderjarige kinderen om het leven door een verkeersongeval. De vader, die fulltime werkte, hertrouwde in 1995 met een vrouw zonder eigen inkomen die zorg droeg voor de kinderen. Achmea, de aansprakelijke verzekeraar, erkende aansprakelijkheid maar betwistte vergoeding van kosten huishoudelijke hulp omdat deze niet daadwerkelijk waren gemaakt.
De rechtbank kende vergoeding toe, maar het hof stelde dat vergoeding alleen mogelijk is indien daadwerkelijk kosten zijn gemaakt of professionele hulp noodzakelijk is, en dat de bijdrage van de nieuwe echtgenote in de huishouding hierbij in aanmerking moet worden genomen. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en verwijst de zaak terug.
De Hoge Raad benadrukt dat de behoefte aan vervangende huishoudelijke hulp moet worden vastgesteld op het moment van overlijden en dat de vergoeding kan worden vastgesteld op abstracte wijze, zonder rekening te houden met de inzet van gezinsleden. Ook na hertrouwen van de overblijvende ouder kan vergoeding worden toegekend indien professionele hulp redelijk is. De beslissing onderstreept het belang van een correcte toepassing van art. 6:108 BW Pro en het onderscheid tussen concrete en abstracte schadevaststelling.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het hofsoordeel en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling met inachtneming dat vergoeding van huishoudelijke hulp ook abstract kan worden vastgesteld zonder rekening te houden met de inzet van gezinsleden.