ECLI:NL:PHR:2008:BD2739

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00332/07
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 437 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van vermeende partijdigheid van het gerechtshof in cassatieprocedure afwijzing beroep

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarbij de verdachte is veroordeeld voor afpersing tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie voorwaardelijk.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof niet onpartijdig was, verwijzend naar vermeende schijn van partijdigheid van de drie raadsheren. Dit middel werd ook in een samenhangende zaak met hetzelfde hof en rechters ingebracht.

De Procureur-Generaal concludeerde dat er geen sprake was van daadwerkelijke of schijnbare partijdigheid en verwees naar eerdere conclusies in verwante zaken waarin dit middel werd verworpen. Tevens werd aangegeven dat het cassatiemiddel niet voldeed aan de vereiste stellige en duidelijke klacht.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk dan wel verwerpt het, zonder dat er aanleiding is tot ambtshalve vernietiging van het arrest. Het middel wordt afgedaan met een summiere motivering conform artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en subsidiair verworpen wegens gebrek aan gegronde klacht over partijdigheid.

Conclusie

Nr. 00332/07
Mr. Schipper
Zitting: 27 mei 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 4 september 2006 -met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 22 juni 2004- de verdachte ter zake van "afpersing" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Tegen deze uitspraak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. L.H.W.M. Koenen, advocaat te Lisse, een schriftuur, ingezonden houdende één middel van cassatie. Mr Koenen heeft op 8 april 2008 het middel mondeling toegelicht.
3. Op 19 mei 2008 is nog een aanvullende schriftuur van cassatie ingediend door mr. Koenen, waarin het middel wordt aangevuld. De Hoge Raad kan op die, na de in art. 437, tweede lid, Sv bedoelde termijn ingekomen, schriftuur geen acht slaan.(1) Derhalve zal ik hetgeen is opgeworpen in voornoemde schriftuur dan ook buiten bespreking laten.
4. Er bestaat samenhang met de zaken, 00333/07E, 00334/07, 00335/07 en 00336/07 tegen de verdachte. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
5. Het middel behelst primair de klacht dat de zaak in hoger beroep niet is behandeld door een onpartijdig gerecht in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR. Subsidiair is in ieder geval sprake van de schijn van partijdigheid van de drie raadsheren van het Hof, aldus de steller van het middel.
6. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar de 87 als opmerkelijkheden aangeduide beweringen omtrent de partijdigheid van het Hof -en daarbij behorende toelichting- die in de zaak met nummer 00336/07 tegen de verdachte zijn aangevoerd. Voorts is in de toelichting nog het volgende vermeld:
"Verzocht wordt op onderhavige schriftuur te beslissen eerst nadat door de Hoge Raad een beslissing is genomen op de cassatieschriftuur in de zaak met griffienummer 00336/07, om reden dat indien in laatstgenoemde zaak mocht worden geoordeeld dat sprake is van (schijn van) partijdigheid van de drie rechters van het Gerechtshof Leeuwarden, zulks met zich brengt dat ook sprake is van de (schijn van) partijdigheid, om reden dat het dezelfde rechters in dezelfde procedure betreft."
7. In de zaak van de verdachte met griffienummer 00336/07 is hetzelfde middel voorgesteld. Ik heb in die zaak heden geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Ik verwijs naar hetgeen ik daarover heb overwogen onder de punten 6 tot en met 10. In die zaak is mijns inziens van (schijn van) partijdigheid van de drie raadsheren van het Hof geen sprake. Reeds daarom dient ook het onderhavige middel te falen.
8. Het middel kan worden afgedaan met de in artikel 81 RO Pro bedoelde motivering.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt primair tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie o.a. HR 14 november 2000, NJ 2001, 16 en HR 15 januari 2008, LJN: BB4853.