ECLI:NL:PHR:2008:BD2741

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00334/07
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 437 SvArt. 81 ROArt. 9 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep wegens gebrek aan partijdigheid gerechtshof

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin hij is veroordeeld voor meerdere verkeersovertredingen en het opgeven van valse persoonsgegevens. De verdachte stelde onder meer dat het hof niet onpartijdig was, wat volgens hem een schending van zijn recht op een eerlijk proces betekende.

De Procureur-Generaal concludeerde dat alleen middelen van cassatie die een stellige en duidelijke klacht over schending van rechtsregels of vormvoorschriften bevatten, voor onderzoek in aanmerking komen. De vermeende partijdigheid van het hof was reeds in een samenhangende zaak beoordeeld en verworpen.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en wijst het middel af omdat er geen sprake is van daadwerkelijke of schijnbare partijdigheid. Ook zijn er geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest. Het cassatieberoep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard of subsidiair verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en subsidiair verworpen wegens gebrek aan een stellige klacht over partijdigheid.

Conclusie

Nr. 00334/07
Mr. Schipper
Zitting: 27 mei 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 4 september 2006 -met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 21 maart 2005- de verdachte ter zake van 1 en 4. telkens opleverende: "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 2. "overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" en 3. "door het bevoegd gezag naar zijn identiteitsgegevens gevraagd, een valse voornaam, geboortedatum en adres waarop hij in de basisadministratie persoonsgegevens als ingezetene staat ingeschreven, opgeven" veroordeeld, ten aanzien van het onder 1 en 4 bewezenverklaarde tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met telkens ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één maand, en ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 585,-, subsidiair elf dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden, en ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 120,-, subsidiair twee dagen hechtenis.
2. Tegen deze uitspraak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. L.H.W.M. Koenen, advocaat te Lisse, een schriftuur, ingezonden houdende één middel van cassatie. Mr Koenen heeft op 8 april 2008 het middel mondeling toegelicht.
3. Op 19 mei 2008 is nog een aanvullende schriftuur van cassatie ingediend door mr. Koenen, waarin het middel wordt aangevuld. De Hoge Raad kan op die, na de in art. 437, tweede lid, Sv bedoelde termijn ingekomen, schriftuur geen acht slaan.(1) Derhalve zal ik hetgeen is opgeworpen in voornoemde schriftuur dan ook buiten bespreking laten.
4. Er bestaat samenhang met de zaken, 00332/07, 00333/07E, 00335/07 en 00336/07 tegen de verdachte. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
5. Het middel behelst primair de klacht dat de zaak in hoger beroep niet is behandeld door een onpartijdig gerecht in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR. Subsidiair is in ieder geval sprake van de schijn van partijdigheid van de drie raadsheren van het Hof, aldus de steller van het middel.
6. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar de 87 als opmerkelijkheden aangeduide beweringen omtrent de partijdigheid van het Hof -en daarbij behorende toelichting- die in de zaak met nummer 00336/07 tegen de verdachte zijn aangevoerd. Voorts is in de toelichting nog het volgende vermeld:
"Verzocht wordt op onderhavige schriftuur te beslissen eerst nadat door de Hoge Raad een beslissing is genomen op de cassatieschriftuur in de zaak met griffienummer 00336/07, om reden dat indien in laatstgenoemde zaak mocht worden geoordeeld dat sprake is van (schijn van) partijdigheid van de drie rechters van het Gerechtshof Leeuwarden, zulks met zich brengt dat ook sprake is van de (schijn van) partijdigheid, om reden dat het dezelfde rechters in dezelfde procedure betreft."
7. In de zaak van de verdachte met griffienummer 00336/07 is hetzelfde middel voorgesteld. Ik heb in die zaak heden geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Ik verwijs naar hetgeen ik daarover heb overwogen onder de punten 6 tot en met 10. In die zaak is mijns inziens van (schijn van) partijdigheid van de drie raadsheren van het Hof geen sprake. Reeds daarom dient het onderhavige middel te falen.
8. Het middel kan worden afgedaan met de in artikel 81 RO Pro bedoelde motivering.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt primair tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie o.a. HR 14 november 2000, NJ 2001, 16 en HR 15 januari 2008, LJN: BB4853.