ECLI:NL:PHR:2008:BD3122
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen recht op provisie na beëindiging agentuurovereenkomst voor sponsorovereenkomst
In deze zaak stond centraal of eiser recht had op provisie voor een sponsorovereenkomst die verweerster in 1995 met het bedrijf B sloot. Eiser stelde dat hij als handelsagent een mondelinge agentuurovereenkomst had met verweerster, op grond waarvan hij recht had op provisie voor de sponsorovereenkomst. Verweerster betwistte het bestaan van een agentuurovereenkomst en stelde dat zij deze overeenkomst bij brief van 18 november 1993 had beëindigd.
De kantonrechter wees de vordering van eiser toe, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af. Het hof oordeelde dat, indien er al een agentuurovereenkomst was, deze per 18 november 1993 was beëindigd en dat de sponsorovereenkomst uit 1995 buiten de duur van die overeenkomst viel. Eiser had na die datum wel activiteiten verricht om B te interesseren, maar dat gaf hem geen recht op provisie.
In cassatie werd betoogd dat het hof ten onrechte het bestaan van de agentuurovereenkomst in het midden had gelaten en dat eiser toch recht had op provisie op grond van art. 7:431 BW Pro. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de agentuurovereenkomst was beëindigd en dat de sponsorovereenkomst pas na die beëindiging tot stand kwam, waardoor geen recht op provisie bestond. Ook het beroep op de bevoegdheid van de kantonrechter faalde. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat eiser geen recht op provisie had voor de sponsorovereenkomst na beëindiging van de agentuurovereenkomst.