ECLI:NL:PHR:2008:BD3124
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wettelijke rente over schadevergoeding grondwateronttrekking volgens Grondwaterwet
In deze zaak staat de vraag centraal of en vanaf wanneer wettelijke rente verschuldigd is over schadevergoeding wegens onttrekking van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. De eiser vordert vergoeding van schade aan zijn grond die door verdroging minder voederopbrengst oplevert. Zowel rechtbank als hof namen het deskundigenrapport van de Commissie van Deskundigen Grondwater (CDG) als basis voor de schadebegroting.
Het hof kende wel wettelijke rente toe, maar slechts vanaf de dag van aanzegging van de rente, niet vanaf het moment dat de schade daadwerkelijk ontstond. De eiser betwistte dit en stelde dat de rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop de schade opeisbaar werd, zoals ook door de CDG werd geadviseerd.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechter ruime vrijheid heeft bij de keuze van de methode van schadebegroting, maar dat hij bij afwijking van een onafhankelijk deskundigenrapport zijn motivering duidelijk moet geven. In deze zaak ontbrak die begrijpelijke motivering, waardoor het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is. De Hoge Raad vernietigt het arrest en bepaalt dat Vitens de wettelijke rente moet betalen vanaf 1 januari van het jaar na het ontstaan van de schade, conform het CDG-rapport.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en Vitens wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente vanaf 1 januari na het ontstaan van de schade.