ECLI:NL:PHR:2008:BD3127
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verschuldigdheid en rente van contractuele boete bij onmogelijkheid nakoming en matiging
In deze zaak staat centraal de vraag of een contractuele boete verschuldigd is wanneer nakoming van de primaire verplichting blijvend onmogelijk is en vanaf wanneer wettelijke rente over de boete verschuldigd wordt. De zaak betreft een koopovereenkomst van een bouwkavel met een zelfbewoningsplicht en een verbod op doorverkoop binnen vijf jaar, met een boetebeding van de volledige koopprijs bij overtreding.
De koper verkocht de kavel aan zijn ouders zonder ontheffing van de gemeente, wat leidde tot een boetebedingvordering door de gemeente. De koper en ouders stelden zich op het standpunt dat de gemeente fouten had gemaakt in de voorgeschiedenis van de inschrijving en dat de boete gematigd moest worden tot 25% van de koopprijs. De rechtbank wees de vordering af, maar het hof vernietigde dit en veroordeelde tot betaling van de boete met wettelijke rente vanaf de dag van doorverkoop.
De Hoge Raad bevestigt dat de boete verschuldigd is en dat de wettelijke rente pas verschuldigd wordt na een schriftelijke aanmaning, tenzij nakoming blijvend onmogelijk is. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de rente vanaf de dag van doorverkoop toerekent en overweegt dat de rente vanaf de dag van dagvaarding verschuldigd kan zijn. De Hoge Raad wijst het verzoek tot matiging af, gelet op de beperkte onderbouwing en het feit dat de koper het risico van de boete heeft doorgeschoven naar zijn ouders.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de verschuldigdheid van de boete en bepaalt dat wettelijke rente pas verschuldigd is vanaf dagvaarding, niet vanaf de dag van doorverkoop.