ECLI:NL:PHR:2008:BD3164
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffing loonbelasting bij onvoorwaardelijk worden van aandelenrechten
Belanghebbende was werknemer bij A N.V. en kreeg in 1996 een Discretionary Award toegekend, een recht op certificaten van aandelen onder opschortende voorwaarden. De vesting date, waarop de rechten onvoorwaardelijk werden, was vastgesteld op 17 januari 2000. De inspecteur nam de waarde van de aandelen bij vestiging in het belastbaar inkomen van 2000 op, terwijl belanghebbende stelde dat de heffing eerder, in 1999 of 1996, had moeten plaatsvinden.
Het Hof oordeelde dat de rechten pas op de vesting date onvoorwaardelijk werden en dat het belastbare moment daarmee in 2000 lag. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat Ordinary Awards en Discretionary Awards materieel verschillen. Ook het onderscheid tussen verbintenisrechtelijke en zakenrechtelijke verkrijging leidde niet tot een ander oordeel.
In cassatie bevestigt de Hoge Raad het oordeel van het Hof. De opschortende voorwaarde maakt dat de rechten pas op de vesting date onvoorwaardelijk worden en dat het loon dan pas wordt genoten. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en andere middelen worden verworpen. De heffing in 2000 is terecht, en het bedrag is gebaseerd op de economische waarde op dat moment. De klacht over het ontbreken van een hoorzitting in bezwaar wordt afgewezen omdat belanghebbende die mogelijkheid heeft afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de loonbelastingheffing terecht in 2000 plaatsvond bij het onvoorwaardelijk worden van de aandelenrechten.