ECLI:NL:PHR:2008:BD3701
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verjaring en rechtmatigheid gebruik getuigenverklaring bij mishandeling minderjarige
In deze zaak werd verdachte veroordeeld voor meervoudige mishandeling van zijn minderjarige dochter in de periode van 1 januari 1999 tot en met 26 april 2005. De Hoge Raad stelde ambtshalve vast dat de verjaringstermijn van zes jaar was overschreden voor de feiten gepleegd vóór 2 mei 1999, omdat geen eerdere daad van vervolging was verricht. Hierdoor werd het OM niet-ontvankelijk verklaard voor dat deel van de feiten.
Daarnaast speelde de vraag of het gebruik van verklaringen van een getuige die zich op haar verschoningsrecht beriep en daardoor niet door de verdediging kon worden ondervraagd, in strijd was met het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad bevestigde dat het gebruik van dergelijke verklaringen niet per definitie onrechtmatig is, mits de verklaring in belangrijke mate wordt ondersteund door ander bewijs en de verdediging voldoende gelegenheid heeft gehad om de betrouwbaarheid te toetsen.
In deze zaak had de getuige zich op haar verschoningsrecht beroepen, maar was zij wel opgeroepen en verschenen ter terechtzitting. De verdediging had geen verzoek gedaan om haar te horen en klaagde ook niet over een schending van het ondervragingsrecht. De verklaring werd bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en handhaafde de veroordeling, behoudens het deel dat verjaard was.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis voor het verjaarde deel van de mishandeling en bevestigt de rechtmatigheid van het gebruik van getuigenverklaringen die niet door de verdediging konden worden ondervraagd.