ECLI:NL:PHR:2008:BD3708
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap na verlies door nationaliteitsoptie vader
Verzoekster werd geboren in 1948 te Batavia als kind van een Nederlandse vader die bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit had. Bij haar geboorte verkreeg zij de Nederlandse nationaliteit door afstamming van haar vader. In 1949 trad de Overeenkomst betreffende de toescheiding van staatsburgers (TOI) in werking, die meerderjarige Nederlanders die in Indonesië waren geboren of daar ten minste zes maanden woonden, de mogelijkheid gaf binnen twee jaar te kiezen voor de Indonesische nationaliteit.
De vader van verzoekster maakte op 26 december 1951 gebruik van deze optie en koos voor de Indonesische nationaliteit. Dit leidde ertoe dat hij zijn Nederlandse nationaliteit verloor. Verzoekster, die op dat moment minderjarig was, volgde volgens art. 8 TOI Pro de nationaliteitskeuze van haar vader en verloor daardoor ook haar Nederlandse nationaliteit.
Verzoekster diende in 2006 een verzoek in tot vaststelling van haar Nederlanderschap, stellende dat de optieverklaring van haar vader niet voor haar gold omdat dit niet uitdrukkelijk was vermeld. De rechtbank wees dit verzoek af en stelde dat minderjarige kinderen automatisch de nationaliteit van hun vader volgen bij diens nationaliteitsoptie. Verzoekster stelde cassatieberoep in, maar dit werd door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard vanwege niet tijdig en correct ondertekende indiening van het cassatieberoep.
De Hoge Raad overwoog dat het middel faalt omdat de rechtsopvatting van de rechtbank juist is: minderjarige kinderen volgen de nationaliteitskeuze van hun vader zonder zelfstandig optierecht. Het cassatieberoep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster werd niet-ontvankelijk verklaard en haar verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap afgewezen.