ECLI:NL:PHR:2008:BD7081
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wijziging gewone verblijfplaats minderjarige na ondertoezichtstelling en rol Raad voor de Kinderbescherming
In deze zaak stond centraal de vraag of de gewone verblijfplaats van een minderjarig kind, dat onder toezicht van Bureau Jeugdzorg was gesteld, gewijzigd kon worden van de moeder naar de vader. De rechtbank had op basis van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en een ondertoezichtstelling beslist dat het kind bij de vader zou verblijven, een beslissing die het hof bekrachtigde.
De moeder voerde in hoger beroep en cassatie aan dat het rapport van de Raad niet zorgvuldig tot stand was gekomen en dat de ondertoezichtstelling een wijziging van de gewone verblijfplaats uitsloot, mede op grond van artikel 8 EVRM Pro. Zij stelde dat de rechtbank en het hof onvoldoende aandacht hadden besteed aan haar klachten over bevooroordeeldheid van de raadsonderzoeker en dat een minder ingrijpende maatregel voldoende was.
De Hoge Raad oordeelde dat de ondertoezichtstelling primair gericht is op toezicht en hulpverlening en niet uitsluit dat de gewone verblijfplaats wordt gewijzigd. De Raad had bovendien expliciet geadviseerd beide maatregelen cumulatief te nemen. De klachten over bevooroordeeldheid van de raadsonderzoeker werden door de klachtencommissie gegrond verklaard, maar dit deed niet af aan de inhoudelijke bevindingen die het hof en de rechtbank voldoende onderbouwd achten. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de wijziging van de gewone verblijfplaats naar de vader.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de wijziging van de gewone verblijfplaats van het kind naar de vader ondanks de ondertoezichtstelling en klachten over het rapport.