ECLI:NL:PHR:2008:BE9634
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van erkenning ad informandum gevoegd feit in cassatie
In deze zaak stond verdachte terecht voor drie strafbare feiten gepleegd op 29 maart 2004, waarbij een vierde feit als ad informandum was toegevoegd. Verdachte had dit ad informandum gevoegde feit erkend bij de politie, maar in het proces-verbaal van de terechtzitting ontbrak een expliciete erkenning. Het hof had bij de strafoplegging rekening gehouden met dit feit.
De verdediging stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het ad informandum feit had meegewogen zonder dat uit het proces-verbaal bleek dat verdachte dit ter terechtzitting had erkend. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat erkenning van een ad informandum feit voor de rechter die de straf oplegt vereist is, maar dat bij verschijnen ter zitting met rechtsbijstand en zonder verweer stilzwijgende erkenning mag worden aangenomen.
De Hoge Raad concludeert dat het stilzwijgen van de verdediging in deze omstandigheden gelijkstaat aan een uitdrukkelijke erkenning van het ad informandum gevoegde feit. Het middel van cassatie faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het hof terecht het ad informandum gevoegde feit heeft meegewogen ondanks het ontbreken van expliciete erkenning in het proces-verbaal.