ECLI:NL:HR:2008:BE9634
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gebruik ad informandum gevoegd feit bij strafoplegging
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte werd geconfronteerd met een ad informandum gevoegd feit dat het hof bij de strafoplegging had betrokken. Het middel klaagde dat het hof ten onrechte rekening had gehouden met dit feit, omdat in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep geen erkenning van het feit door de verdachte bleek.
De Hoge Raad stelde dat het voor de rechter vrijstaat om bij de strafoplegging rekening te houden met een ad informandum gevoegd feit indien de verdachte dit feit ten overstaan van de rechter heeft erkend en het openbaar ministerie geen strafvervolging zal instellen. In deze zaak was het ad informandum gevoegde feit vermeld in de dagvaarding en had het hof in het arrest overwogen dat de verdachte het feit tegenover de politie en ter terechtzitting had erkend.
Hoewel het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep deze erkenning kennelijk bij vergissing niet vermeldde, ontbrak feitelijke grondslag voor het middel. De Hoge Raad verwierp dan ook het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof terecht rekening hield met het ad informandum gevoegde feit bij de strafoplegging.