ECLI:NL:PHR:2008:BF0282
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot gevangenhouding ondanks nieuwe ernstige bezwaren
Verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens Opiumwetdelicten en zat reeds geruime tijd gedetineerd uit anderen hoofde. Tegen hem werd een vordering tot voorlopige hechtenis ingesteld in verband met ernstige bezwaren omtrent een oude dubbele moordzaak. De rechtbank wees deze vordering af wegens gebrek aan ernstige bezwaren. Het hof bevestigde dit oordeel en wees het beroep van het Openbaar Ministerie af, met als motivering dat verdachte nog geruime tijd uit anderen hoofde gedetineerd was.
Het Openbaar Ministerie stelde cassatie in tegen deze beschikking en betoogde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd en niet op alle argumenten was ingegaan. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het hof zijn oordeel niet onbegrijpelijk had gegeven en dat geen te hoge eisen aan de motivering van een dergelijke beschikking mogen worden gesteld.
De Hoge Raad overwoog dat het hof veronderstellenderwijs het standpunt van het Openbaar Ministerie over de aanwezigheid van ernstige bezwaren aannam, maar dat de vordering desalniettemin niet toewijsbaar was vanwege de reeds bestaande detentie. Ook werd benadrukt dat de rechter bij voorlopige hechtenis een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat motiveringen in deze context niet uitgebreid hoeven te zijn.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de vordering tot gevangenhouding ongegrond was, mede omdat de verdachte reeds een langdurige detentie onderging waardoor vlucht- en collusiegevaar ontbrak.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot voorlopige hechtenis wordt afgewezen.