ECLI:NL:PHR:2008:BF0373
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing loonvordering na ontslag op staande voet wegens verduistering
De werknemer was sinds 1982 in dienst als verkoper/bedrijfsleider en werd in januari 2005 op staande voet ontslagen wegens verduistering. Hij had gelden aan de omzet onttrokken, wat door de werkgever als dringende reden werd aangemerkt. De werknemer stelde dat hij een afspraak had om deze gelden als vakantiegeld te behouden, maar kon dit niet bewijzen.
De kantonrechter kende aanvankelijk loon toe, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af, stellende dat de werknemer begreep dat hij op staande voet werd ontslagen en dat verduistering een dringende reden vormde. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het ontslag als rechtsgeldig beschouwde, ondanks dat het hof niet alle omstandigheden zoals leeftijd en gevolgen van het ontslag had besproken.
De Hoge Raad benadrukte dat bij een langdurig dienstverband een dringende reden klemmend moet zijn, maar dat het onttrekken van gelden gedurende vijftien jaar een voldoende reden is. De werknemer had geen specifiek bewijsaanbod gedaan voor de vermeende afspraak. Klachten over onvoldoende motivering en bewijslastomkering faalden. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag op staande voet wegens verduistering wordt bevestigd, waardoor de loonvordering wordt afgewezen.