ECLI:NL:PHR:2008:BF0750
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling strafverzwarende vader-kind relatie bij mishandeling ex-man
In deze zaak stond de vraag centraal of voor de toepassing van de strafverzwarende bepaling in art. 304 Sr Pro bij mishandeling door een vader, het uitsluitend van belang is of er een biologische band bestaat of dat ook een andere familierechtelijke of vertrouwensrelatie relevant is.
De feiten betreffen mishandeling door de verdachte, de biologische en juridische vader, van zijn dochter op 6 en 7 oktober 2004. Het hof had verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens mishandeling van zijn kind, waarbij de strafverzwarende omstandigheid van vader-kind relatie werd toegepast.
De verdediging stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van een vader-kind relatie als bedoeld in art. 304 Sr Pro, waarbij zij betoogde dat niet alleen de juridische band, maar ook een daadwerkelijke vertrouwensrelatie vereist zou zijn. De Hoge Raad verwierp dit betoog en stelde dat de wettelijke definitie van vader in art. 1:199 BW Pro bepalend is voor de toepassing van art. 304 Sr Pro. De biologische vader zonder juridische erkenning valt hier niet onder.
De Hoge Raad benadrukte dat de invoering van het begrip levensgezel in art. 304 Sr Pro een uitbreiding van de strafverzwarende kring betekent, maar niet leidt tot een wijziging van de vader-kind relatie. De strafrechtelijke bescherming rust op de familierechtelijke betrekking en niet op een bredere vertrouwensrelatie. Het hof had dan ook terecht geoordeeld dat verdachte als vader in de zin van art. 1:199 BW Pro in familierechtelijke betrekking stond tot het slachtoffer.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was dat het middel faalt en dat het beroep verworpen moet worden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de strafverzwarende bepaling van art. 304 Sr uitsluitend geldt voor mishandeling door de juridische vader zoals bepaald in art. 1:199 BW.