ECLI:NL:PHR:2008:BF2107

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01507 W
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WOTSArt. 8 WOTSArt. 28 WOTSArt. 32 WOTSArt. 440 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt tenuitvoerleggingsbeslissing wegens overlijden veroordeelde

De Rechtbank te Groningen verleende verlof tot tenuitvoerlegging van een Portugese gevangenisstraf van drie jaar tegen de veroordeelde, waarbij de in Portugal en Nederland doorgebrachte detentietijd in mindering werd gebracht. De Officier van Justitie stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.

Naar aanleiding van een verzoek van de Portugese autoriteiten tot overname van de tenuitvoerlegging werd de veroordeelde in februari 2008 naar Nederland overgebracht en voorlopig aangehouden. In juni 2008 werd de griffie van de Hoge Raad telefonisch geïnformeerd dat de veroordeelde was overleden, hetgeen werd bevestigd door een akte van overlijden uit Enschede.

De Hoge Raad oordeelde dat door het overlijden van de veroordeelde de grondslag voor het verzoek tot tenuitvoerlegging en de daarop berustende vordering van het Openbaar Ministerie is komen te vervallen. Op grond van de toepasselijke wetsartikelen kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen na vernietiging van het bestreden vonnis.

De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte ertoe dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering tot tenuitvoerlegging.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het verlof tot tenuitvoerlegging en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens overlijden van de veroordeelde.

Conclusie

Nr. 08/01507
Mr. Vellinga
Zitting: 16 september 2008
Conclusie inzake:
[veroordeelde]
1. De Rechtbank te Groningen heeft verlof tot tenuitvoerlegging verleend van de beslissing van de Meervoudige Kamer van de 9e Criminele Jurisdictie, 3e afdeling van het Gerechtelijk District Lissabon van 20 september 2006 en heeft de veroordeelde terzake van de in die beslissing bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opgelegd, met de bepaling dat de in Portugal en in verband met deze zaak in Nederland in detentie doorgebrachte tijd daarop in mindering zal worden gebracht.
2. Mr. I. Verkerk(1), Officier van Justitie in het arrondissement Zwolle-Lelystad, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. L. Plas, plaatsvervangend Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Groningen, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie. De raadsvrouw van de veroordeelde, mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, heeft het cassatieberoep tegengesproken.
3. De Officier van Justitie heeft naar aanleiding van een verzoek van de Portugese autoriteiten van 26 juli 2007 tot overname van de tenuitvoerlegging van een beslissing in een strafzaak op 8 februari 2008 een vordering als bedoeld in art. 18 WOTS Pro ingediend. De veroordeelde is op 7 februari 2008 naar Nederland overgebracht en overeenkomstig art. 8 WOTS Pro voorlopig aangehouden.
4. Op 19 juni 2008 heeft de raadsvrouw van de veroordeelde telefonisch aan de griffie van de Hoge Raad medegedeeld dat haar cliënte is overleden. Naar aanleiding van deze mededeling is een akte van overlijden bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede opgevraagd. Blijkens deze akte is de veroordeelde aldaar op 13 juni 2008 overleden.
5. Nu het verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, is door het overlijden van de veroordeelde de grondslag aan het verzoek van de Portugese autoriteiten en de daarop berustende vordering van de Officier van Justitie van 8 februari 2008 komen te ontvallen. Zie in overeenkomstige zin in uitleveringszaken HR 24 september 1985, DD 86.078 (79.313U), alsmede de annotatie van Keijzer onder HR 6 december 2005, NJ 2006, 482.
6. De Hoge Raad kan, gelet op het bepaalde in artikel 440, eerste lid, Sv en de artikelen 28, eerste lid, en 32, zevende en negende lid, WOTS, de zaak na vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank zelf afdoen.
7. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, en dat de Hoge Raad het Openbaar Ministerie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Volgens art. 136 lid 6 Wet Pro RO tevens plaatsvervangend Officier van Justitie bij het arrondissementsparket te Groningen en uit dien hoofde bevoegd beroep in cassatie in te stellen.