ECLI:NL:PHR:2008:BF2266
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de aftrekbaarheid van deelnemingskosten bij Tsjechische deelnemingen in het licht van het EG-Verdrag en de Associatieovereenkomst
De zaak betreft twee Nederlandse vennootschappen die deelnemingen houden in Tsjechische vennootschappen en geconfronteerd worden met een aftrekbeperking van rente en valutaverliezen op leningen ter financiering van deze deelnemingen. De Inspecteur heeft deze kosten niet in aftrek toegelaten, mede op basis van het Bosal-arrest van het HvJ EG.
De belanghebbenden voeren aan dat deze aftrekbeperking in strijd is met de artikelen 56-58 EG-Verdrag (vrijheid van kapitaalverkeer) en met artikelen 45 en 61 van de Associatieovereenkomst met Tsjechië. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de standstill-bepaling van artikel 57 EG Pro-Verdrag de aftrekbeperking legitimeert voor de rentekosten, maar dat de uitbreiding van de regeling in 1997 met betrekking tot valutaverliezen een nieuwe beperking vormt die niet onder de standstill valt.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de juridische kwalificatie van de deelnemingen als directe investeringen, de samenloop van vestigingsvrijheid en kapitaalverkeer, en de toepassing van de standstill-bepaling. Tevens wordt de reikwijdte en directe werking van de Associatieovereenkomst geanalyseerd, waarbij onduidelijkheden bestaan over de interpretatie van het begrip 'verrichtingen op de kapitaalrekening van de betalingsbalans'. De conclusie is dat prejudiciële vragen aan het HvJ EG noodzakelijk zijn om deze complexe kwesties te verduidelijken.
Uitkomst: De Hoge Raad concludeert dat prejudiciële vragen aan het HvJ EG noodzakelijk zijn om de complexe rechtsvragen over de aftrekbeperking en de toepassing van het EG-Verdrag en de Associatieovereenkomst te verduidelijken.