ECLI:NL:HR:2008:BF2266
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek deelnemingskosten voor Tsjechische deelnemingen
Belanghebbende, houdster van meerderheidsdeelnemingen in vennootschappen in Tsjechië, maakte kosten bestaande uit rentekosten en een valutaverlies die zij aftrok in haar vennootschapsbelastingaangifte over 2001. De Inspecteur weigerde deze aftrek op grond van artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende cassatie instelde.
De Hoge Raad onderzocht of de aftrekuitsluiting verenigbaar is met het vrije verkeer van kapitaal zoals beschermd door artikel 56 EG Pro. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat beperkingen op het vrije verkeer van kapitaal die samenhangen met beperkingen van de vrijheid van vestiging, niet afzonderlijk aan toetsing onder artikel 56 EG Pro hoeven te worden onderworpen. De Hoge Raad concludeert dat de nationale regeling in artikel 13, lid 1, van de Wet niet onrechtmatig is en dat de klachten van belanghebbende falen.
Het incidentele beroep van de Minister werd eveneens ongegrond verklaard. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt het oordeel van het Hof dat de aftrek van de deelnemingskosten niet is toegestaan. Dit arrest bevestigt de nationale toepassing van de aftrekuitsluiting ondanks de Europese vrijheden en verduidelijkt de verhouding tussen artikel 43 en Pro 56 EG in de context van deelnemingskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep en het incidentele beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aftrek van deelnemingskosten.