ECLI:NL:PHR:2008:BF3193
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens schending redelijke termijn in strafzaak
In deze strafzaak werd het openbaar ministerie door het hof niet-ontvankelijk verklaard wegens een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De procedure duurde in eerste aanleg 34 maanden en in hoger beroep 59 maanden, wat samen ruim 7 jaar en 9 maanden bedroeg. Het hof oordeelde dat deze termijnoverschrijding uitzonderlijk was en dat het belang van de verdachte bij verval van het recht tot vervolging moest prevaleren boven het belang van de gemeenschap bij strafrechtelijke normhandhaving.
De Hoge Raad stelt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid van het OM leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen, conform de rechtspraak van 17 juni 2008. De Hoge Raad overweegt dat de regel van niet-ontvankelijkheid als sanctie voor termijnoverschrijding een procesrechtelijke aard heeft en dat het nieuwe recht op dit punt van toepassing is, ook op lopende zaken.
De Hoge Raad constateert dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een uitzonderlijk geval dat niet-ontvankelijkheid rechtvaardigt. Gezien de ernst van de feiten en de omvang van de schade acht de Hoge Raad de motivering ontoereikend. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting onder toepassing van de actuele rechtspraak over de redelijke termijn.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting wegens onjuiste toepassing van de regels over de redelijke termijn.