ECLI:NL:HR:2002:AD5499
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling klachttermijn bij vervolging zedendelict tegen minderjarige
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij de verdachte werd veroordeeld voor het hebben van vleselijke gemeenschap met een meisje tussen twaalf en zestien jaar. De kern van het geschil betrof de vraag of de klacht die noodzakelijk is voor vervolging tijdig was ingediend, gezien de wijziging van de klachttermijn in de wet.
Het Hof had geoordeeld dat de klacht, ingediend op 30 september 1997, tijdig was omdat de klachttermijn was verruimd tot de duur van de verjaringstermijn van het strafbare feit, zoals bepaald in artikel 245, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, ook voor feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wetswijziging. De verdediging stelde dat de oude klachttermijn van drie maanden moest gelden, waardoor de vervolging niet ontvankelijk zou zijn.
De Hoge Raad bevestigt de uitleg van het Hof en benadrukt dat de wetswijzigingen van 1991 en 1994 bedoeld zijn om de positie van minderjarige slachtoffers te versterken door hen langer de mogelijkheid te geven klacht in te dienen. De verjaringstermijn begint te lopen op de dag na het bereiken van de meerderjarigheid. De klacht werd binnen deze termijn gedaan, waardoor de vervolging ontvankelijk is.
Het middel van cassatie faalt en het beroep wordt verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat er geen andere gronden zijn om het arrest van het Hof te vernietigen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de klacht tijdig is ingediend binnen de verruimde klachttermijn en verwerpt het cassatieberoep.