ECLI:NL:PHR:2008:BG1682
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en verlenging surseance van betaling met faillissementsverklaring
De zaak betreft het verzoek van een schuldenaar tot verlenging van de surseance van betaling en het tegenverzoek van de bewindvoerder tot intrekking van de surseance met omzetting in faillissement. De rechtbank heeft de surseance ingetrokken en het faillissement uitgesproken, welk vonnis door het hof is bekrachtigd.
De schuldenaar stelde dat het hof eerst over het verlengingsverzoek had moeten beslissen en dat hij niet correct was opgeroepen voor de intrekkingsprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat de rechter de vrijheid heeft om de geschilpunten in de volgorde te behandelen die hem het meest geschikt lijkt. Het hof mocht het intrekkingsverzoek als eerste behandelen, omdat het tegenverzoek betrekking had op hetzelfde onderwerp als het oorspronkelijke verzoek.
Verder is vastgesteld dat de schuldenaar onvoldoende feiten heeft gesteld die aantonen dat hij zich niet adequaat kon verweren. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de staat van de boedel zodanig is dat handhaving van de surseance niet langer wenselijk is en dat het vooruitzicht op voldoening van schuldeisers ontbreekt. Ook is vastgesteld dat de schuldenaar in strijd met het belang van de boedel heeft gehandeld, onder meer door onvoldoende medewerking en het niet doen van belastingaangiftes.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de motivering van het hof toereikend is en dat het faillissement terecht is uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het faillissement van de schuldenaar.