ECLI:NL:PHR:2008:BG2178
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en motivering van ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen poging invoer cocaïne
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde heeft vastgesteld op €184.500 en hem heeft veroordeeld tot betaling van €182.000 aan de Staat.
De berekening van het voordeel is gebaseerd op een kas/bankopstelling over de periode 1 januari 2000 tot en met 19 december 2001, waarbij het hof het verschil tussen feitelijke uitgaven en legale inkomsten als voordeel aanmerkt. Het hof heeft daarbij een post betreffende de inkoop van 714 en 105 kilo cocaïne buiten beschouwing gelaten.
De verdediging voerde onder meer aan dat de motivering van het hof onvoldoende was en dat het hof de onschuldpresumptie zou hebben geschonden door voordeel toe te rekenen aan feiten waarvan de veroordeelde was vrijgesproken. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende heeft gemotiveerd en dat de berekeningsmethode rechtmatig is, ook indien het voordeel deels uit soortgelijke feiten bestaat.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, het hofvonnis tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van circa €184.500 blijft in stand.