ECLI:NL:HR:2006:AV0397
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing art. 36e lid 3 Sr bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin betrokkene werd veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van art. 36e Sr. Betrokkene was veroordeeld voor beroepsmatige hennepteelt en het hof stelde vast dat hij ook uit andere strafbare feiten wederrechtelijk voordeel had verkregen.
Betrokkene voerde aan dat onder 'andere feiten' in art. 36e lid 3 Sr geen soortgelijke feiten kunnen worden begrepen en dat het bewijs onvoldoende was om vast te stellen welke andere strafbare feiten tot het voordeel hadden geleid. De Hoge Raad verwierp deze verweren, stellende dat de wetsgeschiedenis en redactie van art. 36e Sr geen beperking van 'andere feiten' tot uitsluitend niet-soortgelijke feiten oplegt.
Voorts oordeelde de Hoge Raad dat het niet vereist is dat uit de bewijsmiddelen expliciet blijkt om welke andere strafbare feiten het gaat, zolang het strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk maakt dat dergelijke feiten hebben geleid tot het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand, waarmee de ontnemingsmaatregel van zestigduizend euro werd bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van zestigduizend euro blijft in stand.