ECLI:NL:PHR:2008:BG3579
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid voor kennelijk onbehoorlijk bestuur en boedeltekort in faillissement Westland Recycling B.V.
Westland Recycling B.V. werd op 22 december 1999 failliet verklaard. De curator stelde bestuurdersaansprakelijkheid vast jegens de natuurlijke personen die via een keten van rechtspersonen als bestuurders fungeerden. De bestuurders hadden onder meer nagelaten belastingaangiften te doen, wat leidde tot een aanzienlijke belastingschuld. Ook werden onzakelijke transacties verricht, zoals het ter beschikking stellen van grote bedragen zonder zakelijk belang.
De curator vorderde hoofdelijk aansprakelijkheid van de bestuurders voor het boedeltekort. De rechtbank wees de vorderingen grotendeels toe, en het hof bevestigde dit in hoger beroep, waarbij het bedrag van aansprakelijkheid werd gematigd tot maximaal € 600.000. De bestuurders betwistten onder meer dat aansprakelijkheid door kon schakelen tot derdegraads bestuurders en dat het bestuur kennelijk onbehoorlijk had gehandeld.
De Hoge Raad oordeelde dat art. 2:11 BW Pro aansprakelijkheid door kan schakelen via meerdere lagen van rechtspersoon-bestuurders tot natuurlijke personen aan het einde van de keten. Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat het faillissement mede werd veroorzaakt door kennelijk onbehoorlijk bestuur, aangezien andere oorzaken het faillissement niet in overwegende mate onvermijdelijk maakten. De dividenduitkering en andere omstandigheden konden het vermoeden van onbehoorlijk bestuur niet ontzenuwen.
De Hoge Raad verwierp de klachten over de uitleg van art. 2:11 BW Pro, de bewijsvoering en de motivering van het hof, en bevestigde de hoofdelijkheid van de aansprakelijkheid van de bestuurders voor het tekort in het faillissement.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders voor het boedeltekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.