ECLI:NL:PHR:2008:BG6318
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens persoonsverwisseling bij poging oplichting
De zaak betreft een verzoek tot herziening van een onherroepelijk vonnis van de Politierechter te 's-Gravenhage, waarbij aanvrager op 10 april 2002 wegens medeplegen van poging tot oplichting bij verstek werd veroordeeld tot vijf weken gevangenisstraf.
Aanvrager stelde dat niet hij, maar zijn broer zich op 5 februari 2002 van zijn persoonsgegevens had bediend en dat daardoor ten onrechte hij was veroordeeld. Ter onderbouwing werden een verklaring van de broer en een aanvullend proces-verbaal overgelegd, waarin werd gesteld dat de broer eerder persoonsgegevens van aanvrager gebruikte bij eerdere strafbare feiten.
De Hoge Raad oordeelt dat deze stukken uitsluitend betrekking hebben op eerdere feiten en niet op het feit van 5 februari 2002. Er is geen ernstig vermoeden dat, indien deze stukken bekend waren geweest, de rechter tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zou zijn gekomen. Daarom wordt het verzoek tot herziening afgewezen.
De Hoge Raad benadrukt dat de stukken geen aanwijzingen bevatten dat de persoonsverwisseling op 5 februari 2002 heeft plaatsgevonden. De aanhouding en dagvaarding op die datum zijn correct, en de identiteit van aanvrager is niet betwist op basis van de overgelegde stukken.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wegens persoonsverwisseling wordt afgewezen en de veroordeling blijft in stand.