ECLI:NL:PHR:2009:AZ6922
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aansprakelijkheid douaneschuldenaar bij vermissing goederen in tijdelijke opslag
In deze zaak staat centraal wie als douaneschuldenaar moet worden beschouwd bij vermissing van goederen die in tijdelijke opslag zijn gebracht na lossing van een zending door een luchtvaartmaatschappij. Belanghebbende, exploitant van een luchtvaartmaatschappij, had een summiere aangifte gedaan voor een zending die op Z was binnengebracht. Tijdens de controle bij inslag in het douane-entrepot van de afhandelaar werden goederen als vermist aangemerkt.
De inspecteur had aanvankelijk de afhandelaar als schuldenaar aangemerkt en een uitnodiging tot betaling aan haar gericht, waarna een ambtshalve teruggaaf werd verleend. Later werd de luchtvaartmaatschappij als schuldenaar aangemerkt en een betaling van douanerechten en omzetbelasting gevorderd zonder haar een termijn van drie maanden te geven om bewijs te leveren. Belanghebbende stelde dat zij ten onrechte als schuldenaar werd aangemerkt en dat het beleid en de procedure niet correct waren toegepast.
Het Hof oordeelde dat de luchtvaartmaatschappij terecht als schuldenaar was aangemerkt, maar de Advocaat-Generaal stelde dat volgens het arrest Unamar van het Hof van Justitie de houder van de goederen na lossing, in dit geval de afhandelaar, de douaneschuldenaar is. De Hoge Raad concludeert dat de uitnodiging tot betaling vernietigd moet worden omdat de luchtvaartmaatschappij niet als schuldenaar kan worden beschouwd zolang niet is vastgesteld dat de goederen niet gelost zijn. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling, waarbij de afhandelaar als schuldenaar moet worden aangemerkt indien de goederen daadwerkelijk gelost zijn.
Uitkomst: De uitnodiging tot betaling aan de luchtvaartmaatschappij wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek waarbij de afhandelaar als douaneschuldenaar moet worden aangemerkt indien de goederen zijn gelost.