ECLI:NL:PHR:2009:BA1207
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over plaats van onttrekking en heffing omzetbelasting bij extern communautair douanevervoer
Deze zaak betreft een geschil over de heffing van omzetbelasting bij invoer van een auto die onder extern communautair douanevervoer stond. Belanghebbende had de auto via Duitsland naar Polen vervoerd, waarbij het kantoor van bestemming in Duitsland werd voorbijgereden zonder de vereiste douaneformaliteiten aldaar te vervullen. De inspecteur stelde een uitnodiging tot betaling van douanerechten en omzetbelasting vast, waarop belanghebbende bezwaar maakte.
De Tariefcommissie oordeelde dat de douaneschuld was ontstaan omdat de auto niet was aangebracht bij het kantoor van bestemming en het vervoer niet naar behoren was beëindigd. Het Hof stelde vast dat de onttrekking aan het douanetoezicht in Duitsland had plaatsgevonden, omdat het kantoor van bestemming aldaar was voorbijgereden. Dit leidde tot de conclusie dat de omzetbelastingschuld in Duitsland was ontstaan en niet in Nederland.
De Minister stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte het vervallen artikel 22, vierde lid, Wet OB niet toepaste, waardoor de vaststelling van de douanerechten door de Tariefcommissie ook voor de omzetbelasting zou moeten gelden. Tevens werd betwist dat de onttrekking in Duitsland had plaatsgevonden. De Hoge Raad concludeerde dat het Hof terecht had geoordeeld dat het vervoer niet correct was beëindigd en dat de onttrekking in Duitsland had plaatsgevonden. De Hoge Raad besprak uitgebreid de communautaire regelgeving, de gevolgen van het vervallen van artikel 22, vierde lid, Wet OB, en de toepassing van artikel 378 en Pro 454 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek, met aandacht voor de compensatieregeling tussen lidstaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het eerste middel ongegrond is en dat het Hof begrijpelijk heeft geoordeeld dat de onttrekking in Duitsland plaatsvond. Voor het tweede middel, onderdeel b, wordt voorgesteld prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van artikel 378, derde lid, UCDW, en de gevolgen voor de inningsbevoegdheid bij overschrijding van de driejaars termijn.
Uitkomst: De Hoge Raad overweegt dat de onttrekking in Duitsland heeft plaatsgevonden en stelt voor prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van artikel 378, derde lid, UCDW.