ECLI:NL:HR:2009:BA1207
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over plaats van onttrekking bij grensoverschrijdend douanevervoer en omzetbelasting
Belanghebbende, houder van een vergunning voor particulier douane-entrepot, deed aangifte voor extern communautair douanevervoer van een auto van Nederland naar Polen. De auto werd echter niet bij het kantoor van bestemming in Duitsland aangeboden, en het bewijs van regelmatige beëindiging van het douanevervoer ontbrak.
De Inspecteur stelde een aanslag omzetbelasting vast, die belanghebbende betwistte. Het Hof verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de aanslag, stellende dat door vervallenverklaring van artikel 22, lid 4, Wet omzetbelasting 1968 geen grondslag bestond voor de heffing van omzetbelasting. Tevens oordeelde het Hof dat de onttrekking aan het douanetoezicht in Duitsland had plaatsgevonden.
De Hoge Raad oordeelt dat omzetbelasting als andere heffing onder artikel 378, lid 2, Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek valt en dat de Inspecteur bevoegd was tot invordering. Omdat belanghebbende niet tijdig bewijs leverde van regelmatige beëindiging van het douanevervoer, was de aanslag terecht. Het arrest van het Hof wordt vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor proceskostenveroordeling en spreekt het arrest uit in aanwezigheid van vijf raadsheren en een waarnemend griffier.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag omzetbelasting blijft in stand.