ECLI:NL:PHR:2009:BB9390
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ondernemerschap commanditaire vennoot die beheersverbod overtreedt in BV-CV-structuur
Belanghebbende, commanditaire vennoot van een commanditaire vennootschap (CV) en directeur/aandeelhouder van de beherend vennoot-BV, kreeg een aanslag inkomstenbelasting opgelegd waarbij het ondernemerschap werd betwist.
Het Hof Leeuwarden oordeelde dat belanghebbende het beheersverbod van artikel 20, lid 2, Wetboek van Koophandel (WvK) had overtreden en daardoor hoofdelijk aansprakelijk was voor de schulden van de CV. Het Hof kwalificeerde hem als ondernemer in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001 en kende hem zelfstandigenaftrek toe.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen het oordeel dat belanghebbende ondernemer was. De Procureur-Generaal concludeerde dat in de BV-CV-structuur de commanditaire vennoot het beheersverbod overtreedt, maar dat dit niet automatisch leidt tot ondernemerschap volgens artikel 3.4 Wet IB 2001, omdat de vereiste rechtstreekse verbondenheid met de verbintenissen van de onderneming ontbreekt.
De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het cassatieberoep gegrond. Belanghebbende is wel aansprakelijk voor de schulden van de CV, maar kwalificeert niet als ondernemer voor fiscale faciliteiten. Tevens werd benadrukt dat uren die als directeur van de beherend vennoot zijn besteed niet meetellen voor het urencriterium.
Dit arrest verduidelijkt de strikte toepassing van het ondernemerschapsbegrip bij commanditaire vennoten die het beheersverbod overtreden, met name in complexe BV-CV-structuren, en onderstreept het belang van de rechtseenheid en de ratio van het beheersverbod.
Uitkomst: Belanghebbende overtreedt het beheersverbod maar kwalificeert niet als ondernemer in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001 en heeft geen recht op zelfstandigenaftrek.