ECLI:NL:PHR:2009:BD1034
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing bedrijfsfusievrijstelling op inbreng van belegd vermogen door verzekeringsmaatschappij
De zaak betreft de vraag of de bedrijfsfusievrijstelling van de kapitaalsbelasting van toepassing is op de inbreng van belegd vermogen door een verzekeringsmaatschappij binnen een concern. De belanghebbende bracht vermogen, belegd in Verzekerde Groeifondsen (VGF's), in tegen uitgifte van aandelen. De inspecteur erkende aanvankelijk de vrijstelling voor inbreng van twee VGF's in 1998, maar wees die af voor latere inbreng in 2000. De belanghebbende betaalde kapitaalsbelasting en maakte bezwaar dat werd afgewezen.
Het Hof oordeelde dat de inbreng geen zelfstandig onderdeel van een onderneming vormde, omdat het normale vermogensbeheer niet werd overstegen en geen ondernemersrisico's werden gelopen. Ook was geen sprake van een tak van bedrijvigheid die op eigen kracht kon functioneren. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel werd verworpen, mede omdat het vertrouwen uit 1998 volgens het Hof door de brief van 2000 was weggenomen.
De Hoge Raad bevestigt dat de bedrijfsfusievrijstelling niet geldt voor inbreng die niet een materiële onderneming betreft, maar verwijst terug naar het Hof om nader te onderzoeken of met de eerdere toezegging gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat ook voor latere inbrengen vrijstelling zou gelden, en of bij opzegging daarvan een overgangsregeling had moeten worden getroffen. De zaak bevat een uitgebreide analyse van jurisprudentie over het begrip zelfstandig onderdeel van een onderneming en tak van bedrijvigheid in de context van kapitaalsbelasting en Europese richtlijnen.
Uitkomst: De zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar het gerechtvaardigd vertrouwen op eerdere toezeggingen omtrent de bedrijfsfusievrijstelling.