ECLI:NL:PHR:2009:BD1035
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bedrijfsfusievrijstelling bij inbreng aandelen en contanten met EU-vestigingseis
Deze zaak betreft de toepassing van de bedrijfsfusievrijstelling in de kapitaalsbelasting bij de inbreng van aandelen en contanten door meerdere vennootschappen, waaronder vennootschappen gevestigd buiten de EU. De belanghebbende voerde aan dat de inbreng viel onder de vrijstelling van artikel 37 Wet Pro BvR, mede omdat sprake zou zijn van een samenwerkingsverband en niet slechts inbreng van contanten. Het hof verwierp dit en oordeelde dat de inbreng niet het gehele vermogen of een zelfstandig onderdeel van een onderneming betrof, en dat de vrijstelling niet van toepassing was.
De Hoge Raad bevestigt dat inbreng van verschillende aandelenpakketten die niet het volledige kapitaal vertegenwoordigen, niet kwalificeert als inbreng van het gehele vermogen of een zelfstandig onderdeel van een onderneming. Ook de stelling dat de inbreng van contanten met een vooraf bepaald bestedingsdoel als inbreng van een tak van bedrijvigheid moet worden gezien, faalt. De EU-vestigingseis uit artikel 37, lid 5 Wet BvR blijft van toepassing, ook al zijn er non-discriminatiebepalingen in belastingverdragen en associatieverdragen met Turkije. Deze verdragsbepalingen zien niet op kapitaalsbelasting en kunnen de vestigingseis niet opzij zetten.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de jurisprudentie over de kwalificatie van aandelenpakketten als zelfstandig onderdeel van een onderneming en de verhouding tussen nationale wetgeving, EU-richtlijnen en internationale verdragen. Het arrest bevestigt dat de bedrijfsfusievrijstelling strikt moet worden toegepast en dat de EU-vestigingseis niet zonder meer kan worden genegeerd op grond van non-discriminatiebepalingen in verdragen met derde landen.
Uitkomst: De bedrijfsfusievrijstelling wordt niet toegepast omdat de inbreng niet het gehele vermogen of een zelfstandig onderdeel van een onderneming betreft en de EU-vestigingseis geldt.