ECLI:NL:PHR:2009:BG2238
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest over wijziging verblijfplaats minderjarige dochter en omgangsregeling
De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtgenoten over de verblijfplaats en omgangsregeling van hun minderjarige dochter. De moeder had het gezag, maar de dochter verbleef feitelijk bij de vader sinds september 2005. Diverse procedures en vonnissen bepaalden de omgang en verblijf, waaronder een vonnis van januari 2006 dat de vader verplichtte de dochter aan de moeder af te geven en terug te brengen na omgangsweekenden.
De vader stelde dat de situatie was gewijzigd en vroeg wijziging van het gezag en verblijfplaats. Het hof oordeelde dat de moeder zich had neergelegd bij de verblijfplaats bij de vader en dat de situatie was gewijzigd, waardoor het vonnis van de voorzieningenrechter niet in stand kon blijven. De moeder stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onbegrijpelijk heeft gemotiveerd waarom de wijzigingsgrond op het moment van het vonnis van januari 2006 nog niet bestond, terwijl de vader toen al een wijzigingsverzoek had ingediend. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom de feitelijke situatie van verblijf bij de vader niet reeds door de voorzieningenrechter was betrokken. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onbegrijpelijke motivering over wijziging verblijfplaats en verwijst zaak terug.